LUUK & IJSBRAND - Februari
![]()
Soorten zoeken
Februari was koud. De vorst prikte in Luuks wangen terwijl hij door het riet liep. Zijn adem maakte wolkjes in de frisse lucht. Het moeras leek stil, maar Luuk wist dat er leven was. Hij voelde zich een ontdekkings
reiziger, alsof hij een geheim land betreedt.
Naast hem stapte IJsbrand sierlijk door het ondiepe water. Zijn lange poten maakten geen geluid, alsof hij zelf een schaduw was. “Vandaag,” zei IJsbrand, terwijl hij zijn vleugels even strekte, “gaan we op
zoek.” “Op zoek naar wat?” vroeg Luuk nieuwsgierig. “Naar soorten,” legde IJsbrand uit. “Iedereen die hier woont. Vogels,
planten, misschien zelfs een vos.”
Luuk sloeg zijn notitieboek open en schreef: Februari – Soorten zoeken.
Ze liepen langs een plas waar de wind kleine rimpels maakte op het water. Geen ijs, alleen een dunne mist die boven het oppervlak hing. Luuk zag sporen in de modder: kleine pootafdrukken, een paar veertjes
die waren blijven steken tussen het riet. Hij bukt en raakt een afdruk aan. “Van wie zou dit zijn?”
“Een vos,” zei IJsbrand. “Hij jaagt hier ’s nachts.”
Luuk noteerde alles in zijn boek. Zijn vingers waren koud, maar vanbinnen voelde hij zich warm. “Ik voel me een ontdekkingsreiziger,” zei hij trots.
“Dat ben je ook,” lachte IJsbrand. “Nieuw Land is nog jong. Hier groeit iets nieuws.”
De wind blies door het riet, vogels vlogen op in een wolk van veren. Luuk zag een groep ganzen landen op het water, hoorde hun roep echoën over het moeras.
Luuk keek naar IJsbrand en vroeg: “Waarom is jouw snavel eigenlijk zo gek?”
IJsbrand grinnikte. “Omdat ik er eten mee schep. Kijk!” Hij stak zijn snavel in het water en haalde een klein visje omhoog. “Net een lepel, toch?”
Luuk lachte. “Dat is slim!”
Toen spreidde IJsbrand zijn vleugels. “Kom,” zei hij. “We zoeken verder vanuit de lucht.” Luuk klom op zijn rug en voelde hoe de wind hem optilde. Samen stegen ze op, hoger en hoger. Het moeras ontvouwde
zich onder hen als een groene puzzel met glinsterende plassen. Luuk zag een kudde met paarden in de verte en een roedel herten bij een dikke rietkraag aan de rand van het moeras.
“Alles leeft,” fluisterde hij.
“Ja,” zei IJsbrand. “En jij mag het ontdekken.”
Terwijl de zon zakte, landden ze bij een houten hut. De lucht kleurde roze en goud, alsof de dag afscheid nam. Luuk keek naar de horizon en zei zacht: “Dit was bijzonder.”
“En het is nog maar februari,” glimlachte IJsbrand. “De lente wacht.”
<< Ga terug naar de overzichtspagina van LUUK & IJSBRAND en ontdek meer.